DE 4 SLEUTELS VOOR EEN EFFECTIEVE LES

Ga in gesprek!

Schooldirecteuren gaan tegenwoordig regelmatig de klas in om met een (digitale) kijkwijzer het instructiegedrag van leerkrachten te observeren en te bespreken. ‘Vergis je niet: voor veel leerkrachten levert zo’n lesobservatie de nodige spanning op. Sommigen liggen hier zelfs letterlijk wakker van!

Het geeft stress in de school en soms blokkeren leerkrachten, waardoor ze niet meer in staat zijn om te zoeken naar mogelijkheden om hun les effectiever te maken.’

Auteurs: drs. Theo Wildeboer & Fred Kramer
Download het artikel

Aan het woord zijn Theo Wildeboer en Fred Kramer. Na een jarenlange samenwerking op het terrein van instructievaardigheden en lesbesprekingen schreven ze samen het boek Slim! De 4 sleutels voor een effectieve les. En niet zonder reden.

De auteurs zien nogal eens dat directeuren het scoren van de (digitale) kijkwijzers belangrijker maken dan het gesprek. ‘Wanneer je als directeur honderdtwintig vaardigheden afvinkt en daarna ook nog eens flink rondstrooit met tips en suggesties voor verbetering, dan kraak je het zelfvertrouwen van de leerkracht.’

NADENKEN OVER DE EFFECTIEVE LES

Theo Wildeboer: ‘De reden om dit boek te schrijven was eigenlijk tweeledig.

De stroom aan publicaties over het directe-instructiemodel, met telkens nieuwe accenten én evenzovele beloften, (ADIM, IGDI, EDI) heeft ervoor gezorgd dat leerkrachten zijn gaan geloven dat een strikte toepassing van de fasen van het directe-instructiemodel hét recept is voor een effectieve les. Het zijn echter niet de fasen van het model die de effectiviteit bepalen, maar de directe instructie zélf doet dat. Zo zijn doelgericht werken, het aanleren van een aanpak, het versterken van geloof in eigen kunnen en afstemming op kindkenmerken veel belangrijker voor leersucces. Deze vier elementen lopen door alle fasen van het directe-instructiemodel heen en dáár moet wat ons betreft het gesprek weer over gaan.

Hierin ligt dan meteen de tweede reden voor ons boek. We willen directeuren en leerkrachten een gespreksagenda aanreiken waarop deze vier elementen staan vermeld. En door bij deze gespreksagenda achtergrondinformatie te bieden, kan er beter en evidencebased gereflecteerd worden op de keuzes die leerkrachten in hun les maken.’

DE VIER SLEUTELS VOOR EEN EFFECTIEVE LES

Hoewel er in de afgelopen decennia nogal wat claims zijn gelegd op wat echt zou werken in de les (vgl. Canon van het leren, 2012), blijken er nu, een flink aantal metaonderzoeken verder, maar een paar instructiethema’s over te zijn gebleven die echt de moeite waard zijn om blijvend te doordenken. Deze thema’s kunnen worden teruggebracht tot vier vragen:

  1. Stelt de leerkracht een scherp leerdoel in de les?
  2. Volgt de leerkracht ‘de kortste weg naar Rome’?
  3. Stimuleert de leerkracht de actieve betrokkenheid van leerlingen?
  4. Stemt de leerkracht af op verschillen?

DE VIER SLEUTELS VOOR EEN EFFECTIEVE LES

Los van de structuur in de les (de fasen van het directe-instructiemodel) wordt de effectiviteit vooral bepaald door de volgende vier sleutels:

Sleutel 1: Het lesdoel

Het lesdoel richt de aandacht op datgene wat in de les geleerd moet worden en kan bestaan uit meerdere leerdoelen. Dit is (uiteindelijk) altijd een aanpak of werkwijze om een oplossing voor een probleem te vinden. Het stellen van een lesdoel is een voorwaarde om feedback op maat te kunnen geven en om de prestaties van leerlingen te kunnen monitoren en beoordelen.

Sleutel 2: ‘De kortste weg naar Rome’

Daar waar het lesdoel (met de aanpak/werkwijze) de stip op de horizon is, is de les zelf de weg ernaartoe. We willen deze weg zo efficiënt en effectief mogelijk afleggen. De route die de leerkracht verkiest, de keuzes die hij maakt (oefentaken en werkvormen) en de beschikbare leertijd zijn afhankelijk van de ingewikkeldheid van het leerdoel en de kindkenmerken.

Sleutel 3: Actieve betrokkenheid

Geloof in eigen kunnen en de intrinsieke motivatie van de leerling leggen veel gewicht in de schaal wanneer het gaat over de vraag hoeveel de leerling leert. We moeten dit geloof in eigen kunnen en de motivatie van leerlingen daarom grondig kennen en weten hoe we er in de les het beste op kunnen reageren. Om deze reden is het nadenken over de derde sleutel eveneens erg belangrijk.

Sleutel 4: Afstemming

Leerlingen verschillen niet alleen in hun motivatie voor het leren. Ze verschillen ook in hun mogelijkheden. Het prestatieniveau, de intelligentie en de voorkennis zijn zaken die een rol spelen bij de afweging hoe de leerkracht het beste kan aansluiten bij de leerling, zodat een ononderbroken ontwikkeling gewaarborgd is.

Fred Kramer: ‘Wij noemen deze vier vragen ‘de 4 sleutels voor een effectieve les’ en ze zijn vanwege hun impact op het leerresultaat belangwekkend. Essentieel dus voor iedere juf en meester om ze in de voorbereiding van de les mee te nemen en voor directeuren om ze bij individuele leerkrachten en het team middels de reflectieve dialoog warm te houden.

Leerkrachten en directeuren voelen zich hier vaak heel goed bij, de professionele autonomie wordt voluit erkend.

Het reflectieve nagesprek is iets anders dan vaststellen of iets wel/niet is gezien. Waar het om gaat, is dat de leerkracht en de directeur stilstaan bij de keuzes die in de les zijn gemaakt en hoe effectief die zijn geweest voor het leren van leerlingen. Wanneer zo, in gezamenlijkheid, wordt gezocht naar antwoorden, dan ontstaat een boeiend gesprek op basis van gelijkwaardigheid. Leerkrachten en directeuren voelen zich hier vaak heel goed bij, de professionele autonomie wordt voluit erkend.’

Theo Wildeboer: ‘Wanneer ik nadenk over de 4 sleutels voor een effectieve les, dan moet ik altijd terugdenken aan de les van meester Jordi. In zijn les zaten de vier sleutels prachtig verpakt. In mijn herinnering verliep dat ongeveer zo:

De leerlingen van meester Jordi kijken verwachtingsvol naar een grote glazen pot met allerlei heerlijke (Mini) Marsjes, Snickers en Bounty’s. De startvraag voor deze rekenles is even eenvoudig als prikkelend. ‘Wat denken jullie? Zitten er indeze pot genoeg mini’s voor ieder kind indeze klas?’

De leerlingen reageren meteen. Sommigen roepen een getal, anderen knikken instemmend of aarzelen nog even. ‘We kunnen natuurlijk de pot openmaken en één voor één gaan tellen,’ vervolgt Jordi, ‘maar daar hebben we nugeen tijd voor.

Hoe kunnen we er dan toch achter komen of er voldoende van deze mini’s zijn?’ Er ontwikkelt zich een kort, maar meeslepend gesprek waarin verschillende leerlingen hun ideeën naar voren brengen.

Na enkele minuten vat Jordi de kern van de inbreng van de leerlingen samen. ‘Als we dus willen weten of er genoeg voor iedereen is, en we gaan niet tellen, dan moeten we een schatting maken.’ Jordi schrijft de term ‘schatten’ op het digibord. ‘Een schatting is niet hetzelfde als zomaar wat raden of gissen. Een schatting maken is zeggen wat het ongeveer is.’

Jordi noteert nu achter de term schatten het =-teken met daarachter de definitie: ‘zeggen wat het ongeveer is’. ‘Voor schatten moet je een slimme aanpak hebben. Daar gaat deze les over.

Het doel is dus Je leert hoe je hoeveelheden een grote glazen pot met allerlei heerlijke (Mini) Marsjes, kunt schatten.’ Jordi toont het leerdoel op het digibord. Meteen daarna verschijnt een plaatje met een vol voetbalstadion.

‘Soms moet je wel schatten, omdat tellen te veel tijd zou kosten. Kijk maar eens naar dit plaatje. Wie kan nog meer voorbeelden bedenken waarbij schatten van het aantal best handig kan zijn?’ ‘Goed,’ zegt Jordi, ‘laten we dan nu eens bekijken wat hier zojuist al is gezegd over hoe je eigenlijk een schatting maakt. Even kijken … Lynn, wil jij nog eens zeggen wat jij had bedacht? Volgens mij zit jouw aanpak goed in elkaar.’

In de manier waarop meester Jordi de rekenles over het onderwerp schatten opzet, wordt duidelijk dat hij belang hecht aan het samen verkennen en inoefenen van een juiste aanpak (de kern van directe instructie).

In de formulering van het leerdoel van deze les wordt hier ook nadrukkelijk op gewezen. Het leerdoel is voor de leerlingen als een probleemstelling geformuleerd en daardoor ook uitdagend (verdelen van de snoeppot) en toetsbaar.

In het leerdoel staat tot slot het concrete, betekenisvolle handelen voorop. Want alleen maar weten wat schattend rekenen is, mag dan interessant zijn, het krijgt pas echt betekenis als je er iets mee kunt. Bijvoorbeeld dat je kunt schatten hoeveel stoelen je kunt plaatsen in een zaal van tien bij tien meter.

Desgevraagd kan Fred Kramer ook wel een voorbeeld noemen van een les waarin de vier sleutels sterk naar voren kwamen.

‘Ik zag eens een les van juf Fatima die met haar leerlingen wilde werken over decimale getallen. Ze liet op het digibord een foto zien van twee schaatsers die, op het eerste oog, gelijk over de eindstreep gingen.

Onder de foto stonden verschillende decimale getallen (tot drie cijfers achter de komma) en haar openingsvraag voor de hele groep was: ‘Welk getal hoort bij welke schaatser en hoe groot is het tijdsverschil tussen de winnaar en nummer 2? Noteer alvast eens op je wisbordje: schaatser A en schaatser B met de tijden erachter en, als je het nu al weet, het verschil tussen deze twee.’

Wat ik zo knap van Fatima vind, is dat ze op deze manier het leerdoel als een echte onderzoeksvraag presenteert, namelijk Je leert hoe je de waarde van een decimaal getal bepaalt. De leerlingen waren allemaal vanaf het begin geboeid.

Nadat de kinderen hun antwoorden op het wisbordje hadden genoteerd, ging Fatima met de leerlingen in gesprek over wat een decimaal getal eigenlijk is (zie afbeelding taxonomie van Bloom: kennis) en hoe het zich verhoudt tot ronde getallen (één stapje ingewikkelder: begrip).

Ook refereerde ze aan situaties waarin het werken met decimale getallen belangrijk is (sport, inhoudsmaten, geld). Vervolgens kwam Fatima aan bij het eigenlijke leerdoel van haar les: het bepalen van de waarde van een decimaal getal.

Met behulp van een afbeelding van een strook die verdeeld was in tien stukken liet Fatima zien wat decimale getallen eigenlijk zijn, hoe je ze noteert (positieschema) en wat de waarde is (getallenlijn). Na twee uitgewerkte voorbeelden mochten de leerlingen oefenen.

Tot slot van de les kwam Fatima terug op de foto en vroeg de leerlingen of ze konden beredeneren wat de goede oplossing was van haar onderzoeksvraag. Ongeveer driekwart van de groep bleek dit goed te kunnen. Voor een paar leerlingen bleek het echter nog te moeilijk.

‘Overmorgen’, zo stelde Fatima, ‘gaan we hiermee verder. De leerlingen die het nu begrijpen, krijgen een paar pittige redactieopgaven waarmee ze met decimale getallen moeten werken. We koppelen dit dan ook meteen aan breuken. Je mag dan gebruikmaken van het stappenplan, zoals ik dat nu heb uitgelegd. Met de rest ga ik dan even apart zitten om nog eens te kijken naar wat een decimaal getal eigenlijk is en hoe het werkt. Geen zorgen, komt goed!’’

DRAAI DE SLEUTELS OM

Fred Kramer: ‘In zo’n les worden de vier sleutels voor een effectieve les maximaal omgedraaid. Ga maar na:

Het leerdoel is als toepassingsniveau gesteld (lagere-orde-denkvaardigheid) maar wel op een uitdagende, onderzoekende manier gepresenteerd. Fatima laat hiermee de hersens van de leerlingen kraken, wat natuurlijk de actieve betrokkenheid erg ten goede komt.

De kortste weg naar Rome is ook klip en klaar: Fatima geeft directe instructie. Ze doet namelijk voor (modelen) en de leerlingen oefenen haar aanpak in. De les wordt op een later moment voortgezet en op dát moment gaat ze nadrukkelijker differentiëren. De leerlingen die het snappen, worden op de hogere denkniveaus in de taxonomie van Bloom uitgedaagd.

De andere leerlingen gaan opnieuw bekijken hoe het nu eigenlijk werkt met die decimale getallen. Fatima is vastbesloten: uiteindelijk zullen ook zij het leerdoel voor deze les halen.’

REFLECTIEBOX INSTRUCTIEGEDRAG

Fred Kramer en Theo Wildeboer ontwikkelden bij hun boek de Reflectiebox Instructiegedrag. In deze doos zit onder andere een gesprekskaart voor de leerkracht en de directeur. In een beknopte handleiding wordt uitgelegd hoe er met de gesprekskaart rond de 4 sleutels voor een effectieve les gewerkt kan worden.

‘In de box hebben we ook lesvoorbeelden opgenomen, zodat de leerkracht en directeur samen kunnen vaststellen of een bepaalde sleutel op startbekwaam, basisbekwaam, vakbekwaam of excellent niveau is getoond.

De lesvoorbeelden zijn in een soort kleurenwaaier verpakt. Leerkrachten blijken op basis van de waaier zichzelf heel goed te kunnen inschatten’, aldus Theo Wildeboer. ‘De Reflectiebox Instructiegedrag omzeilt de soms schurende (digitale) checklist door de leerkrachten over zichzelf te laten vertellen en zelf te laten nadenken over het niveau waarop ze in de geobserveerde les hebben gefunctioneerd. Leerkrachten die ook het werken met kijkwijzers hebben ervaren zeggen heel vaak tegen mij: ‘Dit voelt anders, beter en eerlijker.’’

TIPKAARTEN

Met het boek, de Reflectiebox Instructiegedrag én de Tipkaarten kunnen teams of individuele leerkrachten de 4 sleutels voor een effectieve les goed voor ogen houden. Theo Wildeboer: ‘Neem nou die tipkaarten.

We maakten er 36, die allemaal gebaseerd zijn op de 4 sleutels, en wanneer je als leerkracht iedere week 1 tipkaart meeneemt in je lessen, dan verbeter je zonder al te veel moeite je lessen. Stel dat je als team afspreekt om iedere week eenzelfde tipkaart te oefenen, wat een impact kan dat geven!’ De Tipkaarten kunt u ophangen aan de wand.